Research projects

01/01/2004 bis 31/12/2006

Terrafirma

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

In november 2001 keurde het Europese Ruimteagentschap ESA (European Space Agency) het vijfjaren-programma GSE (GMES Service Element) goed, dat gewijd is aan de wereldwijde opvolging van milieu en veiligheid (GMES – Global Monitoring for Environment and Security).Het GSE heeft tot doel om beleidsondersteunende informatie beschikbaar te stellen, die hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, ingewonnen wordt door middel van verschillende aardobservatietechnieken. De eindgebruikers van GSE zullen een sleutelrol kunnen spelen in de overgang van de huidige aardobservatiesatellieten naar toekomstige Europese systemen die vitale informatie zullen leveren over globale milieu- en veiligheidsaspecten.GMES is een beslissingsondersteunend systeem voor overheidsdiensten en beleidsverantwoordelijken. Activiteiten omvatten verwerving, verwerking en verspreiding (door de nationale geologische diensten) van informatie over de toestand van het milieu en over natuurlijke en andere risico's. Binnen Europa zal GMES, via de nationale geologische diensten, aan de regionale diensten informatie beschikbaar stellen over ontwikkeling, transport, landbouw, natuurlijke rijkdommen en duurzaam verbruik. GMES kan ook aan lokale overheden ondersteuning verlenen in verband met geomilieu (geoenvironment).Het programma Terrafirma wordt gecoördineerd door Nigel Press Associates (NPA in het VK), en vormt één van de tien diensten die ondersteuning verlenen aan het ESA-GMES-programma. Terrafirma (fase 1 – 2003-2005) wil zijn activiteiten consolideren in een tweede fase van 3 jaar (2006-2008). Dit pan-Europese initiatief stelt zich tot doel, informatie te verstrekken met betrekking tot grondbewegingen en de hieraan verbonden risico's, en deze informatie via de nationale geologische diensten te verspreiden. (* Deze pagina opent in een nieuw venster)Op 13 mei 2004 ondertekende de Belgische Geologische Dienst een akkoord met Terrafirma. In 2004 (Terrafirma – fase I) ontving de Belgische Geologische Dienst de eerste te bestuderen zone in België, zijnde Brussel en omgeving. De digitale verwerking van de radarbeelden werd uitgevoerd door Tele-Rilevemento-Europa (een spin-off van de polytechnische faculteit van Milaan). In 2006 (Terrafirma - fase II) werden de radarbeelden van de tweede zone, die Luik-Visé-Maastricht en een deel van de Kempen omvat, door de groep NPA bewerkt. De radarbeelden van de Europese satellieten (ERS1, ERS2 en Envisat) die in het programma Terrafirma worden gebruikt, zijn afkomstig uit de duizenden beelden die door het Europese Ruimteagentschap sinds 1992 werden gearchiveerd.Satellietgegevens maken het mogelijk om grondbewegingen van enkele millimeters waar te nemen. De radarinterferometrie technologie is door de Belgische Geologische Dienst gebruikt om grondbewegingen in kaart te brengen, met name in stedelijke gebieden en nabij historische mijnsites.
Brabant Massif subcrop map
01/01/2004 bis 31/12/2006

Subcrop map: Brabant Massif

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

Het Massief van Brabant wordt ook wel de sokkel van Vlaanderen genoemd. Het bevat de oudste afzettingen van België, tot 550 miljoen jaar oud, en is inmiddels verhard tot een massief gesteenteblok. In het grootste deel van Vlaanderen bevindt de sokkel zich op een diepte van meer dan 100 m. Enkel in het zuiden, nabij de taalgrens, komt hij lokaal aan de oppervlakte.De onderzoekers staan voor de uitdaging om zoveel mogelijk over het goed verborgen Massief van Brabant te weten te komen. Hiervoor worden waarnemingen verricht in de schaarse ontsluitingsgebieden, worden niet ontsloten gebieden verkend met diepe boringen, tracht men hypotheses te testen met geofysische methoden, en worden de historische gegevens uit onze uitgebreide archieven volop aangewend.Momenteel wordt in opdracht van het Vlaamse Gewest hard gewerkt aan een nieuwe geologische kaart van het Massief van Brabant ter vervanging van de nu 10 jaar oude kaart. In dit project zijn vijf geologen van onze dienst betrokken.België was het eerste land dat beschikte over een volledige en gedetailleerde geologische kaart. Dit karteerproject werd reeds voltooid in 1905, en de kaarten worden sindsdien regelmatig bijgewerkt. Nadat de oppervlakte van België was gekarteerd, wachtte de geologen een nog grotere uitdaging: het opstellen van kaarten van de ondergrond (subcrop kaarten).Een subcropkaart toont hoe een gebied er zou uitzien als de bovenste (jongste) afzettingen verwijderd zouden worden. Deze kaarten worden daarom veelvuldig gebruikt door bijvoorbeeld putboorders die niet enkel willen weten welke afzettingen er aan de oppervlakte voorkomen, maar ook op grotere diepte.In Vlaanderen komen voornamelijk Quartaire en Tertiaire afzettingen voor aan of nabij de oppervlakte. Afhankelijk van waar men een boring inplant, kunnen ook Krijt- en Devoonafzettingen worden aangeboord. Al deze afzettingen rusten uiteindelijk op het Onder-Paleozoïsche Massief van Brabant.Het Onder-Paleozoïcum omvat het Cambrium, Ordovicium en Siluur (zie chart).Deze afzettingen werden tijdens de Brabantse bergvorming, die zich afspeelde van het Siluur tot het Midden-Devoon, vervormd en gemetamorfoseerd. Het Massief van Brabant werd hierdoor één compacte eenheid.De gesteenten van het Massief van Brabant komen op enkele plaatsen aan de oppervlakte in het noorden van Wallonië en op twee plaatsen langs de zuidgrens van Vlaanderen. Meer in het noorden komt het Massief van Brabant op steeds grotere diepte voor: in Brussel op ongeveer 100 m, in Antwerpen op 550 m, en in Loenhout, het meest noordelijke punt waar het Massief van Brabant ooit werd aangeboord, op meer dan 1600 m.De eerste subcropkaarten waren eerder schematisch en voornamelijk gebaseerd op de informatie die verzameld werd in de ontsluitingsgebieden. Een voorbeeld hiervan is de kaart van P. Fourmarier uit 1920, die voornamelijk gebaseerd was op de eerste reeks geologische oppervlaktekaarten.De eerste auteur die de gegevens van boringen uitgebreid in een kaart verwerkte, was R. Legrand. Zijn kaart werd gepubliceerd in 1968 op een schaal van 1/300 000. Het Onder-Paleozoïcum van het Massief van Brabant bevat erg weinig macrofossielen. De ouderdom die hij bijgevolg aan de verschillende formaties toekende, was voornamelijk gebaseerd op lithologische gelijkenissen.Dit probleem werd voor een belangrijk deel opgelost door microfossielen, voornamelijk acritarchen en chitinozoa, in detail te bestuderen. Deze methode bleek uiterst succesvol voor het Siluur en het Ordovicium. Hierdoor bleek dat de veronderstellingen van Legrand over de ouderdom van formaties in een aantal gevallen niet juist waren. Deze nieuwe informatie, aangevuld met gegevens uit nieuwe boringen, werd verwerkt in een nieuwe versie van de geologische subcropkaart. Deze werd in 1992 voorgesteld, en een jaar later gepubliceerd (De Vos et al., 1993). In de publicatie werd de kaart verkleind tot A4-formaat.Na het verschijnen van deze kaart werd de structuur en vervormingsgeschiedenis van het Massief van Brabant verder onderzocht. Het stratigrafisch onderzoek werd eveneens verder gezet. Hierdoor ontstonden er nieuwe inzichten, waardoor de kaart van 1993 nu achterhaald is. Daarom wordt er momenteel gewerkt aan een nieuwe kaart die tegen het einde van 2004 voltooid zal zijn.Alhoewel de Belgische Geologische Dienst steeds betrokken is geweest bij de studie van het Massief van Brabant, wordt het huidige karteerproject gefinancierd door het Vlaamse Gewest. De nieuwe kaart zal dan ook voornamelijk het Massief van Brabant onder Vlaanderen tonen. Ook aan de andere kant van de taalgrens wordt de kaart, in opdracht van het Waalse Gewest, hertekend.
01/01/2002 bis 31/12/2006

IUAP Project: The Land of Sumer and Akkad

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

BeschrijvingDeze studie kadert in het 'Interuniversity Attraction Poles project (IUAP-DWTC), The land of Sumer and Akkad'. De hoofdprioriteit van dit IUAP-project is het verrichten van onderzoek naar de wisselwerking tussen het veranderend fysisch milieu en de ontwikkeling van sociale, politieke en economische organisaties in Mesopotamië doorheen de tijd (midden - laat Holoceen). Teneinde een beeld te kunnen schetsen van 's werelds oudste beschavingen, is een synthetische werkwijze onontbeerlijk, die de zeer talrijke en zeer verscheiden gegevens - afkomstig van verschillende disciplines zoals natuurwetenschappen, archeologie, filologie en geschiedenis - verwerkt.Meer specifiek wordt het onderzoek toegespitst op de vraagstelling van mogelijke omgevings- en ecologische impacts van veranderende sociale ontwikkelingen en landbouwsystemen evenals op het vaststellen van grote veranderingen in het fluviatiel en marien milieu van de Tigris-, Eufraat- en Karun rivieren en estuaria gedurende het Holoceen.RealisatieHet onderzoek kan opgedeeld worden in twee studiethema's:Remote sensing: aanmaak van kaarten met geografische informatiesystemen, en reconstructie van paleogeulen en gerelateerde irrigatiesystemen op basis van satellietbeelden en archeologische data. Veldcontrole is noodzakelijk voor een optimale kartering.Geoarcheologische kartering: reconstructie van paleokanalen, bepaling van de litho- en chronostratigrafie van de fluviatiele sedimenten, de beschrijving van de paleogeografie van het studiegebied, de invloed van menselijke interventies op het natuurlijk milieu. Het studiemateriaal omvat reeds bestaande geologische boringen en doorsneden, welke gereïnterpreteerd worden en in een GIS geïntegreerd worden. Bijkomende data zoals boringen, electrische resistiviteitsmetingen en monstername voor 14C dateringen zullen uitgevoerd worden tijdens terreinwerk. 
IUAP Project photographs
01/01/2002 bis 31/12/2006

IUAP Project: The Land of Sumer and Akkad

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

"Land of Sumer and Akkad" is het project P5/14 van de Interuniversitaire attactriepolen (Fase V) van het Federaal Wetenschapsbeleid. Dit project onderzoekt de interactie tussen het paleo-milieu enerzijds en de sociale, politieke en economische ontwikkeling anderzijds in Mesopotamië gedurende de laatste 6.000 jaar. Het huidige landschap is het resultaat van een complexe evolutie vanwege veranderingen in de loop van de rivieren en de locatie van de kustlijn van de Perzische Golf. Ook de mens met zijn ingenieuse en intensieve irrigatie systemen en de drang om het water te controleren, heeft in zekere mate een rol gespeeld in deze evolutie. Om de verschillende stappen van deze landschapsontwikkeling te ontrafelen, moeten alle mogelijke bronnen gebruikt worden. Daarom vergt dit onderzoek een aanpak vanuit de volgende disciplines: Quartairgeologie, Teledetectie, Filologie en Geschiedenis.Het Team van het KBIN – Belgische Geologische Dienst onderzoekt de evolutie van het natuurlijk milieu gedurende de laatste 10.000 jaar. Het onderzoek gebeurt in het zuidelijke deel van de provincie Khuzestan (zuidwest Iran), een enorm uitgestrekte vlakte die in het zuiden begrensd is door de Perzische Golf en in het noorden en noordoosten door het Zagros gebergte. Dit gebied is het zuidoostelijk deel van de Mesopotamische vlakte. Drie belangrijke rivieren, de Karun, Karkheh en Jarrahi hebben bijgedragen tot de opbouw van deze vlakte.OnderzoeksmethodeDe recente geologie van het studiegebied werd tot op heden nog maar weinig bestudeerd. De reconstructies van de kustlijn van de Perzische Golf en de loop van de rivieren zoals ze te vinden zijn in de literatuur, zijn gebaseerd op historische bronnen en oppervlakte waarnemingen. Ze getuigen daarom ook van veel speculatie.Voor het onderzoek van het Holoceen (laatste 10.000 jaar) werden twee veldcampagnes gehouden waarbij een vijftigtal ongeroerde handboringen werden uitgevoerd (door drie vrouwen!) en enkele toevallige ondiepe ontsluitingen werden bemonsterd. Tijdens de veldcampagnes werden ook archeologische sites en irrigatie systemen gelocaliseerd en werd een controle van het landgebruik en de oppervlakte lagen uitgevoerd voor de latere verwerking bij de teledetectie. De GPS was een onmisbaar instrument om alle waarnemingen nauwkeurig te kunnen localiseren, want in die onmetelijke vlakte is geen enkel referentie punt te zien.De verzamelde monsters werden onderzocht op microfossielen en het organisch materiaal werd gedateerd met radiokoolstof. Samen met de verwerking van de boorgegevens en de resultaten van de teledetectie resulteerde dit in een reconstructie van het landschap doorheen de tijd.De voornaamste resultatenDiverse satelliet beelden werden verwerkt tot een homogene en duidelijke basiskaart, bruikbaar zowel voor het veldwerk als voor basis voor de talrijke figuren en kaarten, zoals bv. de afbakening van geomorfologische eenheden, en fossiele rivierlopen, de paleogeografische reconstructie voor vijf verschillende perioden, de localisatie van archeologische sites en fossiele irrigatie systemen.Op basis van recente satelliet beelden, oude luchtfoto’s en een 3D model van de topografie onthulde de teledetectie ook de interactie tussen de verschillende rivieren in de meest recente periode evenals de relatie tussen de rivieren, de archeologische sites en de irrigatie systemen.Voor het eerst werden in dit gebied kustafzettingen gevonden. Een getijdengebied (met slikke, schorre en sabkha) heeft er zich ontwikkeld vanaf 9.000 jaar geleden. In de loop van de tijd heeft het getijdengebied zich uitgebreid via de paleovallei van de Shatt el-Arab tot ongeveer 200 km ten noorden van de huidige kustlijn van de Perzische Golf.Het aantal dateringen is nog te gering om een curve van de zeespiegelstijging te kunnen opstellen, maar de gegevens tonen nu reeds aan dat er nooit een hogere zeespiegelstand dan de huidige geweest is. Dit is in tegenspraak met de algemeen aanvaarde resultaten uit de literatuur.Alle gegevens, zowel geologische, geomorfologische, topografische en archeologische zijn samen gebracht in een GIS. Dit bestand laat toe alle domeinen te doorkruisen en relaties op te sporen.
EUROSEISMIC
01/01/2002 bis 31/12/2004

EUROSEISMIC: European Marine Seismic Metadata and Information Centre

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

BeschrijvingDe hoofdprioriteit van EUROSEISMIC is het samenstellen van een metadatabase van seismische profielen, uitgevoerd in de Europese Zeeën, die aanwezig zijn in de Instelling van de projectpartners. Deze data bestaan hoofdzakelijk uit seismische profielen en sonar registraties die gedurende de laatste 30 jaar verzameld werden door de projectpartners, evenals uit gelijkaardige data van externe organisaties waartoe de projectpartners toegang hebben op een niet-confidentiële basis.EUROSEISMIC zal een metadatabase aanmaken op het "Internet voor mariene geofysische onderzoeksdata" onder toezicht van de mariene departementen van de Europese Geologische Diensten en hun projectpartners.Het zal bestaan uit de volgende functionaliteiten:Data-toegang met on-line data-import module,On-line data-editing,Data-kwaliteitscontrole,Data-raadpleging aan de hand van een kaart-interface in combinatie met een numeriek uitgebreide zoekopdracht (mogelijkheid tot gestuurde opzoekingen en/of optionele metadata velden),Data-export,GIS-interface voor navigatie en presentatie.De seismische metadata zullen geo-ruimtelijke data, zoals de locatie van elke seismische lijn omvatten, welke kan afgebeeld worden op een kaartinterface aan de hand van de metadatabase. Voor elke seismische registratie, zullen voldoende metadata-elementen ter beschikking gesteld worden opdat de eindgebruiker snel de kwaliteit van de databronnen kan vaststellen en bepalen of ze voldoen aan hun vereisten.RealisationVoor de Belgische Geologische Dienst omvat het project:Aanmaak van een inventaris van de Belgische mariene seismische dataConversie van alle data in een door de verschillende partners goedgekeurd digitaal formaatTransmissie van de metadata naar EuroseismicPartnersDe Mariene Departementen van de Geologische Diensten van de volgende landen: Engeland, Frankrijk, Griekenland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Finland, Zweden, Denemarken, Ierland, Italië, Spanje, Duitsland.
01/01/2002 bis 12/12/2004

GEOINFO

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

Digitalisatie van de geologische gegevens, bewaard op de Belgische Geologische Dienst (kaartbladen nrs. 110 tot 236)Beschrijving van het programmaDe informatisering van de gegevens van de Belgische ondergrond (programma's GEODOC en GEOINFO) houdt sinds vele jaren gelijke tred met de vorderingen van de geologische kartering. Die vooruitgang verschilt van gewest tot gewest, afhankelijk van de doelstellingen, maar ook van de kenmerken van de regionale geologie. De kartering in het Vlaamse Gewest werd eind 2002 beëindigd. Het geologische karteringsprogramma van het Waalse Gewest beoogt een volledige terreinopname en zal met de huidig ingezette middelen nog 15 jaar duren. De BGD is de beheerder van de gegevens over de ondergrond, die sinds zijn ontstaan ononderbroken worden verzameld. De gegevens werden oorspronkelijk op papier bewaard en omvatten de beschrijvingen van ontsluitingen, groeven, doorsneden, boringen, waterwinningen, enz.). De gesteentecollectie bestaat uit monsters, verzameld op gans het grondgebied van het land, in de vorm van stukken boorkern of "cuttings" (stukjes verbrijzelde gesteenten, opgevangen tijdens het destructief boren).Alle geschreven documenten (teksten, schema's, doorsneden, boorlogs) worden voortdurend geïnformatiseerd en in databanken ondergebracht. De topografische kaart op schaal 1:10.000 dient als basiselement van de kaartsneden. Een geologische kaart op schaal 1:40.000 komt overeen met 2 topografische kaarten op 1:10.000 (met 4 van de laatste editie). De uitwerking van GIS (geografisch informatiesysteem) laat toe de beschrijving van punctuele waarnemingen te koppelen met hun lokalisatie op de ontsluitingenkaart. Dergelijke systemen maken het ook mogelijk gegevens te selecteren volgens bepaalde thema's of in beperkte gebieden. De beschikbare databanken (van de boringen, de steengroeven, de bibliografie, de geologische kaarten) worden toegevoegd als informatielagen, die kunnen ondervraagd worden en binnen het GIS onderling gekoppeld worden. De uitgewerkte "workspaces" zullen op intranet kunnen geraadpleegd worden en zullen op termijn geleidelijk aan in de bibliotheek kunnen geraadpleegd worden. Een toekomstige ontwikkeling zal er in bestaan dat de voornaamste gegevens ook via het internet ter beschikking gesteld worden.Stand van zakenPer geologische kaart:De ontsluitingenkaart op papier (1:40.000 en 1:25.000) zijn gescand, verbeterd, van een geo-referentie voorzien en geassembleerd. Ze dienen als drager om de lokalisatie van de waarnemingspunten aan te duiden en laten toe die punten over te brengen op de NGI-topografische kaarten. De Lambert-coördinaten worden berekend;Het maken van een verbinding met de digitale teksten (*.txt en *.FP5), topografische achtergrond van het NGI.Verbindingen leggen met de bibliografie over de specifieke Belgische geologie (de referenties uit 7 publicatiereeksen - opgemaakt door ir. G. VANDENVEN - zijn gekoppeld met de referentie geologische kaarten). Dit gebeurt voor iedere kaart afzonderlijk of op meer algemene kaarten.Verbindingen leggen met de gescande figuren (doorsneden, foto's, schetsen en tabellen), die voorkomen in de archieven op papier.Vectoriële geologische kaarten (schaal 1:40.000) waarvan de bladsneden een geo-referentie hebben gekregen.Luchtfoto's, groevebestanden, ...Afbakening van de zone waar het programma Geoinfo doorgevoerd wordtHet programma Geoinfo vordert van zuid naar noord en is complementair met de kartering, in uitvoering bij het Waalse Gewest met als partners het KBIN - BGD en de universiteiten (ULg, UCL, ULB, en FPMs). 
01/01/2002 bis 01/02/2004

DB-ARCO: Databank of slate and coticule

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

BeschrijvingDoel: het uitwerken van een Geografisch InformatieSysteem (GIS) met geologische gegevens afkomstig van ondergrondse ontginningen van leisteen en coticula op het grondgebied van de gemeente VielsalmIn Vielsalm en omliggende gemeenten werden in het verleden leisteen en lagen coticula ondergronds ontgonnen. Deze mijnactiviteit heeft talrijke mijnplannen nagelaten. Nu worden deze plannen in een GIS-omgeving opgeslagen. Het is bijgevolg belangrijk de beschikbare informatie over geologie en mijnbouw over te nemen en te structureren. Dit werk kadert bovendien in het ontwikkelings- en herwaarderingsplan voor dit industrieel erfgoed. Dit GIS-systeem kan vele toepassingen mogelijk maken, zoals bv. de locatie van de ondergrondse ontginningen gelegen in natuurparken en het ontwikkelen van industriële archeologische sites als toeristische trekpleisters in de Hoge Ardennen.RealisatieDergelijk mijnkaarten zijn beschikbaar bij het Waalse Gewest, de Belgische staatsarchieven, het Centrum voor de Geschiedenis van Wetenschap en Techniek en de Belgische Geologische Dienst. De voornaamste gegevens, vermeld op deze kaarten, die op schaal 1:100 zijn getekend, zijn nu gescand en van geo-referenties voorzien. De omzetting in vectoren is nu aan de gang. Tenslotte worden alle geologische en mijnbouwkundige gegevens, vermeld op de oorspronkelijke mijnplannen, samengebracht in een gegevensbank.Tot de mijnbouwkundige informatie behoort de aard en de ligging van de toegangen tot de galerijen, schachten en luchtkokers, de lengte van de galerijen en de oppervlakte en het volume van de ontginningskamers, de exploitatiedata, enz.Door middel van terreinwerk zullen de cartografische gegevens vergeleken worden met de werkelijke topografie. Bij dit onderzoek zal gebruik gemaakt worden van:GPS-positiebepalingen van de ingangen van de galerijen, schachten en luchtkokers,plaatsbepaling van de mijnbouwinfrastructuur,plaatsbepaling van mogelijke mijnverzakkingsgebieden in en rond ontgonnen zones, enz.Het BD-ARCO-project concentreert zich in deze eerste fase op de ondergrondse leisteen en coticula-ontginningen op het grondgebied van de gemeente Vielsalm. De figuur toont de ontginningen van coticula (geel) en leisteen (blauw). In latere fase kan dit uitgebreid worden tot andere ontginnings gebieden in België.
GETSCO
01/02/2000 bis 01/02/2004

GESTCO: Geological Storage of CO2

Dieses Forschungsprojekt ist nur verfügbar auf Niederländisch, Französisch und Englisch

Dutch version | French version | Englische Version

DoelstellingEr is een groeiende wetenschappelijke consensus dat de CO2 uitstoot door verbranding van fossiele brandstoffen kan bijdragen tot een toename van het broeikaseffect en dat menselijke invloed op het klimaat ongewenst is. De Belgische overheid heeft daarom het Kyoto protocol geratificeerd en zich geëngageerd om tegen 2008-2012 de CO2-uitstoot in België met 7,5% te verminderen t.o.v. het referentiejaar 1990. Dit betekent een vermindering met 25 miljoen ton, daar waar de industriële sectoren die voor emissiereducties in aanmerking komen gezamenlijk 55 miljoen ton per jaar voortbrengen. Een te zware opgave voor het huidig beleid, dat gericht is op rationeel energiegebruik en verhoogde energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen (werkelijk aandeel in de Belgische energieproductie amper 1%, het laagste percentage in Europa), vermindering van de koolstofintensiteit (door overschakeling van steenkool op aardgas dat minder CO2 vrijgeeft bij verbranding), waarbovenop de geleidelijke afbouw van de kerncentrales komt. Daarom zal opvang en berging van CO2 weldra een onvermijdelijke optie worden. De BGD wil hiertoe bijdragen door studie van het potentieel voor berging van CO2 in de Belgische ondergrond.RealisatieIn het kader van het GESTCO project, opgezet door EuroGeoSurveys, en in samenwerking met VITO werden ondergrondse reservoirgesteenten voor berging van CO2 onderzocht. Geschikte reservoirs zijn bijvoorbeeld diepe verzilte grondwaterlagen zoals de Onder Carboon kalksteen in de provincie Antwerpen of de onontgonnen steenkoolreserves en de gesloten steenkoolmijnen in de Limburgse Kempen en in Henegouwen. Deze laatste bieden extra voordelen omdat berging van CO2 er gepaard kan gaan met milieuvriendelijke winning van energie zoals gestimuleerde methaanrecuperatie of aftapping van aardwarmte in de gesloten mijnen. Wegens de geringe diepte van de Belgische reservoirs was het nodig heel wat aandacht te besteden aan nog maar slecht gekende thermodynamische aspecten van CO2-injectie (fase-overgangen, oplossing en adsorptie). Duurzaamheid en veiligheid van geologische berging moeten gegarandeerd worden over periodes van duizenden jaren. Vergelijking met seizoensmatige opslag van aardgas in dezelfde reservoirs geeft aanwijzingen dat de voorwaarden hiertoe gunstig zijn. Verder onderzoek zal daarom gericht worden op de kwaliteit van de afsluitende laag, bestaande uit Krijtgesteenten. Daarnaast wordt het tijd om demonstratieprojecten uit te werken, die goedkope bronnen van geconcentreerd CO2 verbinden met snel vulbare reservoirs, gekenmerkt door hoge natuurlijke of geïnduceerde permeabiliteit.Verwante activiteitenNabestemming gesloten steenkoolmijnen: milieu-impact en nieuwe mogelijkhedenAMM mijngas uit gesloten steenkoolmijnenCBM koollaag-methaangas winningCO2 aardwarmte in mijnenCAES perslucht energiesystemenondergrondse opslag van koude/warmte, afvalstromen, aardgasexploratie van koolwaterstoffen

Seiten

Go to top