Nieuwste inzichten in de milieueffecten van windparken in het Belgische deel van de Noordzee

Cover van het nieuwe windmolenrapport (Beeld : KBIN)
11/11/2018
Nieuwste inzichten in de milieueffecten van windparken in het Belgische deel van de Noordzee
post by
Kelle Moreau

Als de doelstelling die de Europese Commissie in 2001 heeft vooropgesteld wordt gehaald, zal de energieproductie uit hernieuwbare bronnen tegen 2020 13% van het totale Belgische energieverbruik dekken. Offshore windparken in het Belgische deel van de Noordzee zullen naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om dat doel te bereiken. Uitgaande van een geïnstalleerde capaciteit van 2000 Megawatt tegen 2020, zullen deze windparken ongeveer 43% van de hernieuwbare energie produceren. In het nieuwe rapport "Environmental Impacts of Offshore Wind Farms in the Belgian part of the North Sea: Assessing and Managing Effect Spheres of Influence", beoordelen het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en zijn partners de impact van offshore windturbines op het mariene ecosystem, en onthullen de processen achter deze impact.

Vandaag zijn er al vier offshore windparken operationeel in het Belgisch deel van de Noordzee, en de bouw van een vijfde (Norther) is momenteel aan de gang. Eind 2018 zal een geïnstalleerde capaciteit van 1152 Megawatt, bestaande uit 274 offshore windturbines, operationeel zijn in onze nationale wateren. Vier andere projecten zullen in 2019 en 2020 van start gaan met de bouw. Met 238 km² gereserveerd voor offshore windparken in België, 344 km² in het aangrenzende Nederlandse Borssele gebied en 122 km² in de Franse Duinkerke zone, zullen de cumulatieve ecologische effecten in de zuidelijke Noordzee de komende jaren een belangrijk aandachtspunt blijven.

Vooraleer een windturbinepark kan worden gebouwd, moet een ontwikkelaar naast een domeinconcessie ook een milieuvergunning bekomen. Een dergelijke vergunning bepaalt de voorwaarden om de impact van het project op het mariene ecosysteem tot een minimum te beperken, maar legt ook een monitoringprogramma op om de effecten van het project op het mariene milieu te kunnen evalueren. In België coördineert het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen dit monitoring-programma, waarbij ook beroep wordt gedaan op de aanvullende expertise van de Universiteit Gent, het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). "Met dit monitoringprogramma verkrijgen we niet alleen een goed inzicht in de invloedssfeer van individuele windturbines en van windparken als geheel, maar kunnen we ook mitigerende maatregelen ontwerpen om ongewenste effecten op het mariene ecosysteem bij te sturen.", aldus Steven Degraer, hoofdauteur van het rapport.

Enkele opmerkelijke resultaten van het nieuwe rapport

Effectiviteit van een enkelvoudig Big Bubble Curtain (BBC) om het onderwatergeluid tijdens het heien te beperken (hoofdstuk 2): Aangezien de omvang van commercieel beschikbare windturbines de laatste decennia is toegenomen, zijn krachtigere hydraulische hamers nodig om de grotere stalen funderings-palen de zeebodem in te drijven. Als gevolg hiervan worden hogere niveaus van impulsief geluid in het mariene milieu geïntroduceerd, wat zorgen teweeg brengt rond mogelijke negatieve effecten op het mariene leven. Om te voldoen aan de vereisten van de Belgische Kaderrichtlijn Mariene Strategie mag een drempelwaarde van 185 dB op 750 m van de geluidsbron niet worden overschreden. Geluidsbeperkende maatregelen zijn daarom niet langer een optie, maar zijn verplicht tijdens het heien. In deze studie werd de effectiviteit van een enkelvoudig Big Bubble Curtain getest tijdens de bouw van het Rentelpark. Bij deze methode wordt lucht onder hoge druk door een geperforeerde slang geperst, die op de zeebodem rond de bouwlocatie werd gelegd. Hierdoor ontstaat een schild van bellen dat de geluidsenergie gedeeltelijk absorbeert, en het geluid met een maximum van 11-13 dB reduceert.

Monitoring van sedimenten en ongewervelde dieren in zachte sedimenten rond de windturbines heeft aangetoond dat mosselen en anemonen, organismen waarvan bekend is dat ze groeien op de funderingen van de turbines, in deze sedimenten talrijker zijn geworden dan in referentiezones buiten de windturbineparken. Er is echter een gedetailleerde opvolging nodig om na te gaan of dit een eenmalige bevinding is, dan wel een echt windpark-effect. Het is dus nog te vroeg om te concluderen dat een rechtstreeks windpark-effect ('rif-effect') of een onrechtstreeks effect van het uitsluiten van visserij, zich manifesteert (hoofdstuk 3). Veranderingen in de sedimenten (zoals verfijning en aanrijking) en in de dichtheid, diversiteit en samenstelling van de ongewerveldengemeenschappen werden in verschillende grootte-ordes vastgesteld rond de drie verschillende funderingstypes (monopalen, jackets en funderingen op basis van de zwaartekracht) die gebruikt worden in het Belgisch deel van de Noordzee. Er wordt gesuggereerd dat deze contrasterende resultaten mogelijk te wijten zijn aan een combinatie van locatiespecifieke dispersie-capaciteit en structurele verschillen tussen funderingstypes en hun geassocieerde ongewervelden-gemeenschappen (hoofdstuk 5).

Naast de opvolging in reeds operationele windparken, worden in het rapport ook de referentieomstandigheden van ongewervelde dieren- en visgemeenschappen in nieuwe concessiezones beschreven, waardoor de effecten van nieuw gebouwde windparken op deze gemeenschappen in de toekomst geëvalueerd kunnen worden (hoofdstuk 4).

Een nadere beschouwing van de visfauna in de offshore windparken (hoofdstuk 6) toont aan dat een combinatie van verschillende bemonsteringstechnieken nodig is om een volledig beeld te krijgen op deze gemeenschap. Uit een totaal van 25 soorten is van 15 soorten gekend dat ze in hetzelfde gebied rond wrakken leven. Vier soorten, de Vorskwab (Raniceps raninus), de Gehoornde Slijmvis (Parablennius gattorugine) en de Groene Zeedonderpad (Taurulus bubalis) werden echter zelden of, in het geval van de Gevlekte Lipvis (Labrus bergylta), slechts één keer eerder gemeld vanuit Belgische wateren. Deze soorten kunnen worden gekarakteriseerd als harde substraatsoorten en zullen naar verwachting in toenemende mate profiteren van de voortdurende uitbreiding van offshore windparken in de zuidelijke Noordzee.

Modellering van GPS-gegevens van Kleine Mantelmeeuwen (Larus fuscus) (hoofdstuk 7) die in de kolonies van Oostende en Zeebrugge werden gevangen en gemerkt, bevestigt dat er veel meer tijd werd gespendeerd op rustplaatsen aan de buitenkant van een windpark, dan aan de binnenturbines. Ook wordt vanaf het centrum van het windpark tot 2000 m erbuiten een geleidelijke maar aanzienlijke toename gemeld van het aantal rondvliegende vogels. Uit een tijdsanalyse bleek dat de vogels bij sterke wind met snel bewegende rotorbladen minder geneigd waren om een windpark binnen te vliegen. Deze resultaten kunnen van grote waarde zijn bij het verfijnen van aanvaringsrisicomodellen.

De gevolgen van verstoring op een gesimuleerde bruinvispopulatie (Phocoena phocoena) (hoofdstuk 8) werden getest aan de hand van 17 scenario's met en zonder diverse mitigerende maatregelen. De resultaten van deze studie tonen aan dat een combinatie van een seizoensgebonden heibeperking (wanneer de bruinvissen het talrijkst voorkomen) en een akoestisch afschrikmiddel niet voldoende was om de impact op de bruinvissenpopulatie tot aanvaardbare waarden te verlagen. Deze simulaties suggereren ook dat de bouw van één windpark per jaar meer invloed had op de bruinvissenpopulatie dan de bouw van twee windparken tegelijk.

Voor het eerst werd de activiteit van de vleermuizen boven de Noordzee bestudeerd op de hoogte van de gondel (op 94 m boven zeeniveau) van windturbines (hoofdstuk 9). Aan vier turbines in de Belgische wateren werden akoestische vleermuisdetectoren geïnstalleerd. Van verschillende soorten vleermuizen is bekend dat ze grote afstanden afleggen tussen zomer- en winterrustplaatsen en dat ze tijdens hun migratie zelfs de Noordzee oversteken. De resultaten geven aan dat de waarnemingen op gondelhoogte (in het midden van de rotor) slechts ongeveer 10% van de waarnemingen op lagere hoogte (ca. 17 m boven zeeniveau) bedroegen, wat een indicatie geeft van de activiteit van vleermuizen op verschillende hoogtes bij het passeren van offshore windparken. De waarnemingen laten echter nog geen goede conclusies toe over het botsingsrisico voor vleermuizen, vooral niet in het onderste deel van de rotorzone.

Meer informatie

Deze tekst beschrijft enkel het algemene kader van de monitoring van milieueffecten in de Belgische offshore windparken en focust slechts op enkele resultaten. Het volledige rapport, evenals de oudere monitoringverslagen, kunnen hier worden geraadpleegd.

Categorieën: Wetenschappelijk Nieuws
Abonneren op Royal belgian Institute for natural Sciences News
Go to top