Amateurpaleontologen ontdekken vogels van 52 miljoen jaar geleden

Beenderen van een poot (tarsometatarsus) en een vleugel (carpometacarpus) van een Messelornithidae van Egem (vroege eoceen) in vergelijking met die van Messelornis cristata van Messel, in Duitsland (middeneoceen) (Foto: Sven Tränkner en Thierry Hubin)
04/04/2019
Amateurpaleontologen ontdekken vogels van 52 miljoen jaar geleden
post by
Charlotte Degueldre

We zijn meer te weten gekomen over de vogels die tijdens het eoceen in het Noordzeebekken leefden, dankzij jarenlange opgravingen van gepassioneerde amateurpaleontologen in het West-Vlaamse Egem.

Tot enkele jaren geleden werd in de groeve van Egem, in hartje West-Vlaanderen, klei opgegraven voor de baksteenindustrie. De 52 miljoen jaar oude kleilagen zijn marine afzettingen uit een de tijd dat de streek overspoeld was door de Noordzee. Twintig jaar lang zochten zeven verzamelaars naar fossiele haaientanden. Met een geschikte methode en zeefmaterieel haalden ze niet alleen duizenden haaien- en roggentanden boven, maar ook enkele zoogdiertanden - van een buideldier, een primitief paardje en een vleermuis – én tientallen vogelbeenderen.

Burgerpaleontologie

Een mooi voorbeeld van burgerwetenschap, vindt paleontoloog Thierry Smith (KBIN), die samen met paleo-ornitholoog Gerald Mayr van het onderzoeksinstituut Senckenberg (Frankfurt) de fossielen bestudeerde. ‘Zeven enthousiaste mensen hadden meer dan twintig jaar nodig om dit essentieel materieel te verzamelen. Beroepspaleontologen hadden nooit voldoende geld en personeel bijeengekregen om zo lang op een vindplaats te werken! We zijn ze uiterst dankbaar.’

Piepklein en zeldzaam

‘Behalve enkele vindplaatsen zoals Messel, waar de fossielen uitstekend bewaard bleven doordat de modder van een vulkaanmeer ze heel vlug van lucht en licht afsloot, zijn er heel weinig fossiele vogelbeenderen uit het vroege eoceen gevonden. De botten zijn hol en licht en dus zo breekbaar dat ze vaak al verbrijzeld zijn vóór de fossilisatie begint. Maar in Egem werden er ongeveer honderd beenderen of botfragmenten verzameld, waarvan de helft voor identificatie bruikbaar is. Bovendien werden de beenderen van Egem niet samengeperst, zoals de platte fossielen van Messel, waardoor ze voor sommige soorten nieuwe osteologische gegevens opleveren.

In de paleontologische collectie van ons Instituut zitten nu 53 van die beentjes, die toegeschreven zijn aan 20 verschillende soorten. De meeste komen van kleine vogeltjes. ‘De verzamelaars gebruikten heel fijnmazige zeven en waren uiterst nauwgezet, want ze wilden de vaak minuscule haaien- en roggentanden niet verliezen. Zo verzamelden ze zoveel van die toch breekbare en piepkleine vogelbotjes.’

Vooral vogels van het vasteland

Bij de duidelijk determineerbare exemplaren waren er enkele zeevogels van de familie van de ‘beentandvogels’ (tot deze uitgestorven familie behoorden de grootste vogels die ooit bestaan hebben). Maar de meeste waren vogels die op het vasteland leefden, waarschijnlijk dicht bij de kust. Waarschijnlijk waren hun beenderen naar zee meegevoerd met rivieren die voordien buiten hun oevers waren getreden.

Deze fossielen zijn van vogels die op de grond leefden, van vogels die in de bomen vertoefden en van vogels die in de lucht op insecten joegen. De grondvogels waren Galliformes of hoendervogels (de orde met de kippen, fazanten, kalkoenen …) en Messelornithidae (een tot de Gruiformes of kraanvogelachtigen behorende familie, die dicht verwant is met de familie van de Eurypygidae, waarvan de zonneral de enige nog levende soort is). De boomvogels waren Halcyornithidae (een uitgestorven familie die waarschijnlijk tot de orde van de Psittaciformes of papegaaiachtigen behoorde), Leptosomiformes (een orde met de koerol als enige nog levende soort) en Coraciiformes of scharrelaarvogels (de orde met de ijsvogels, bijeneters …). De insectenetende vogels waren Apodiformes of gierzwaluwachtigen (de orde met de gierzwaluwen).

Waarschijnlijk waren de Messelornithidae van Egem de voorlopers van die van Messel (waarvan de fossielen 48 miljoen jaar oud zijn).

De studie verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift Neues Jahrbuch für Geologie und Paläontologie.

Abonneren op Royal belgian Institute for natural Sciences News
Go to top