18 miljoen jaar oude potvis met ‘naaldvormige’ snuit joeg op vinnige prooien

KOOP JE TICKETS ONLINE

TICKETS !

 

Richtlijnen voor bezoekers

De schedel van Rhaphicetus (rug- en zijaanzicht). (Foto: KBIN)
21/09/2020
18 miljoen jaar oude potvis met ‘naaldvormige’ snuit joeg op vinnige prooien
post by
Reinout Verbeke

Paleontologen hebben een van de oudste fossiele potvissen opgegraven en beschreven. De nieuwe soort uit Peru is zo’n 18 miljoen jaar oud. Rhaphicetus valenciae was ongeveer 5 meter lang en had een extreem lange snuit en smalle, gepunte tanden. De onderzoekers vermoeden dat hij op kleine, snelle prooien joeg in ondiepere wateren. De huidige potvissen hebben een stompe snuit en ‘zuigvoeden’ zich met inktvissen op grote diepte.

Een internationaal team van paleontologen doet al jaren belangrijke ontdekkingen in het Pisco Basin in het zuiden van Peru, een woestijn waar door erosie heel wat walvisfossielen bloot komen te liggen. Ze geven ons meer inzicht in de evolutie van balein- en tandwalvissen en hun gemeenschappelijke voorouders in de voorbije 45 miljoen jaar.

Nu hebben de onderzoekers een van de oudste potvissen ooit beschreven, aan de hand van de in 2016 opgegraven schedel, de gehoorbeenderen, kaakbenen, wervels, borstbeen en ribben. De uitstekend bewaard gebleven fossielen maken Rhaphicetus valenciae, zoals deze nieuwe soort werd gedoopt, een van de best gekende uitgestorven potvissen tot nu toe. Rhaphicetus leefde tussen 18 en 19 miljoen jaar geleden in de Stille Oceaan bij het huidige Peru. Deze heel vroege potvis geeft mogelijk een goed beeld van hoe de gemeenschappelijke voorouder van alle potvissen eruitzag. En die verschilt behoorlijk van de soorten die vandaag nog leven: de potvis, de dwergpotvis en de kleinste potvis.

Lange snuit met puntige tanden

Rhaphicetus valenciae was tussen 4,7 en 5,7 meter lang, drie keer kleiner dan de potvis vandaag. ‘Wat ons meteen opviel, is de extreem lange en smalle snuit’, zegt paleontoloog Olivier Lambert van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. ‘Potvissen vandaag hebben een brede snuit, door een orgaan met een wasachtige vloeistof in.’ De geslachtsnaam (genus) van deze nieuwe fossiele soort werd daarom Rhaphicetus, van het Grieks voor naald (rhaphis) en het Latijn voor walvis (cetus). ‘De walvis met de naaldvormige snuit’.

Deze tandwalvis had smalle gepunte tanden in zowel boven- als onderkaak (bij de huidige potvissoorten zijn de bovenste tanden verdwenen). De punt van de snuit had wel geen tanden meer. ‘We vermoeden dat het dier daarmee relatief kleine en vinnige prooien kon grijpen, en ze met de smalle punttandjes naar binnen speelde, om ze daarna relatief intact door te slikken’, zegt Lambert.

Andere leefwijze

Die voedingsstrategie verschilt van de latere (eveneens uitgestorven) potvissen zoals Livyatan melvillei, een superroofdier ontdekt in jongere lagen van dezelfde Peruviaanse woestijn, dat met joekels van tanden op grote prooien zoals walvissen joeg. En de ‘oerpotvis’ had ook een andere leefwijze dan de nog levende potvissoorten: zij ‘zuigvoeden’ zich op grote diepte met inktvissen. Rhaphicetus zoog zijn prooien niet naar binnen en joeg wellicht in ondiepere wateren, mogelijk dicht bij de zeebodem.

‘Deze vondst geeft ons een mooie inkijk in het evolutionaire begin van deze fascinerende familie’, besluit Lambert. De studie is gepubliceerd in Journal of Systematic Palaeontology.

Abonneren op Royal belgian Institute for natural Sciences News
Go to top