Baggeren

Baggerschip

Een belangrijk probleem voor de Belgische zeehavens is het feit dat de vaargeulen en de zeehavens zeer snel toeslibben. De zone tussen Oostende en de Westerscheldemonding is immers gekend als een ‘turbiditeitsmaximum’, dit is een zone waar er een maximum aan fijn materiaal in het water is.

Vanwege het toeslibben van de vaargeulen, is de overheid verplicht belangrijke baggerwerken uit te voeren om de diepte van de vaargeulen en havens te garanderen. Het grootste deel van het gebaggerde materiaal wordt terug in zee gestort op zogenaamde baggerstortplaatsen of dumpingsites. Jaarlijks wordt ongeveer 10 miljoen ton (droge stof) materiaal gebaggerd en terug in zee gestort. Een deel van dit materiaal verdwijnt echter terug van de stortplaatsen om terug te worden verplaatst naar de plaatsen waar het oorspronkelijk werd gebaggerd, zodat het materiaal terug opnieuw moet gebaggerd worden. Onderzoek naar meer efficiënte stortplaatsen, waar het materiaal meer ter plaatste blijft, is dus zeer wenselijk.

De kennis van de bewegingen en oorsprong van het fijne slib in het water is ook voor andere redenen van belang. De hoeveelheid materiaal in suspensie bepaalt immers ook de doorzichtigheid van het water: de hoge concentratie van materiaal in suspensie is trouwens de reden, waarom het Belgische zeewater er zo grijs uitziet. Deze doorzichtigheid van het water is van belang voor organismen die in het water en op de zeebodem leven, en die het licht nodig hebben om te groeien en te leven. Maar het is ook geweten dat vervuilende stoffen zich kunnen binden aan deze zeer fijne partikels.

Go to top