De geschiedenis van onze organisatie

 

In 1846 telde onze organisatie amper 10 mensen.

 

Nu kunnen we rekenen op een team van 400 wetenschappelijke, administratieve en technische medewerkers. Sinds 1846 zijn we niet alleen groter geworden, onze werking is ook drastisch veranderd als het gaat om profielen, structuur en samenwerkingsverbanden.

 

De aanpassingen in de organisatiestructuur hangen samen met de evoluties van onze collecties. Midden jaren 1800 hadden we slechts een handvol medewerkers: een directeur, een collectiebeheerder, enkele bewakers, een secretaris en een taxidermist die de specimens klaarstoomde om tentoongesteld te worden.

Tegen eind 19e eeuw was het personeelsbestand al gegroeid en bestond de organisatie uit zeven afdelingen, die allemaal verband hielden met onze verzamelingen. Een hele afdeling stond volledig in het teken van de conchologie, of de studie van de schelpen van weekdieren, in lijn met onze uitgebreide weekdierencollectie van toen. Het werd de voorganger van onze afdeling Malacologie: een van de dertien afdelingen tegen het einde van de 20e eeuw. De collectie was tegen die tijd al fors uitgebreid.

De evolutie van de rol van de wetenschap

Onze eerste zout- en zoetwaterstudies waren exploratief, terwijl die activiteiten zich steeds meer gingen richten op de ondersteuning van natuurbehoud en ecoysteembeheer. Een gevolg van dit onderzoek was de oprichting van nieuwe afdelingen: Hydrobiologie, Oceanografie, Ecologie en Natuurbehoud. Op gebied van natuurbehoud nam ons Instituut een voortrekkersrol op en wezen we het publiek al midden jaren 60 op ecologische problemen.

Wereldwijd nemen slechts weinig natuurhistorische musea zo veel diverse taken op zich en dat tekent zich ook af in de organisatorische aanpak. Sinds 1984 staan we in voor het beheer van het federale oceanografische onderzoeksschip de Belgica, sinds 1997 bieden we onderdak aan de Beheerseenheid van het Mathematische Model van de Noordzee, en sinds 2002 aan de Belgische Geologische Dienst - om slechts enkele voorbeelden te noemen.

 

Door en door Belgisch

Bij de oprichting in 1846 was het Museum verbonden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en werd het bestuurd door een zevenkoppige raad. Met de Belgische staatshervormingen van de jaren 1980, bleef de oude structuur behouden, terwijl de onderzoeksbevoegdheden van andere instanties werden overgedragen aan de gewesten of gemeenschappen.

Vandaag is ons Instituut een van de tien musea en wetenschappelijke instellingen verbonden aan de federale regering. Ze vallen momenteel onder de bevoegdheid van de POD Wetenschapsbeleid (BELSPO). Als koninklijk museum, en later als koninklijk instituut is er altijd een nauwe band met de Belgische koninklijke familie geweest. Leopold I schonk verschillende collecties. Leopold II zette zijn schouders onder de bouw van de Janlet-vleugel, Leopold III had een kantoor in het gebouw. Vandaag werken we nog steeds samen met het Leopold III-fonds, en ons Museum werkt elk jaar mee aan de tentoonstelling Wetenschap en Cultuur in het Koninklijk Paleis in Brussel, georganiseerd door de Belgische koninklijke familie.

De samenwerkingen met andere Belgische instellingen hebben ons verleden mee vormgegeven. Voormalig directeur Gilson richtte het Zeewetenschappelijk Instituut in Oostende op in 1927, de vroege voorloper van het VLIZ, waar we nog steeds mee samenwerken. Enkele van onze eerste directeurs waren actief aan dezelfde Belgische universiteiten met wie we vandaag nog steeds op regelmatige basis samenwerken. Onze samenwerking met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, mondde in 2007 uit in de lancering van JEMU, de Joint Experimental Molecular Unit, gespecialiseerd in DNA-barcoding.

 

Weerstand en veerkracht

Toen we in 2020 onze deuren moesten sluiten tijdens de COVID-19-pandemie, beseften we hoe zelden we in al die jaren ons werk ‘on hold’ hebben moeten zetten. In sommige gevallen was er geen andere keuze. In de winters van 1917 en 1941 dwong het brandstoftekort ons ertoe het Museum te sluiten voor het publiek, om tenminste nog onze wetenschappelijke laboratoria te kunnen verwarmen. Eind 2015 moesten we, na de aanslagen in Parijs, enkele dagen de deuren sluiten.

Hoewel we tijdens beide wereldoorlogen geregeld op slot gingen, liet het Instituut zich opmerken door zijn weerstand. Tijdens beide periodes van Duitse bezetting demonstreerden onze directeurs hun oppositie tegenover het beleid van de bezetter. Toen de druk op Gilson werd opgevoerd om tijdens de Eerste Wereldoorlog mee te werken aan de opgraving van de rijkdommen in Bernissart, stelden de museummedewerkers het werk uit tot de oorlog voorbij was.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde Van Straelen, lid van de verzetsbeweging Het Geheim Leger, aan het hoofd van de dienst Genie en Vernietiging regelmatig glycerine uit de dotatie van het Museum. Hij kon ook medewerkers die gevangen waren genomen aan het begin van de bezetting weer vrij krijgen, en bood onderdak aan onderzoekers en studenten na de sluiting van de Vrije Universiteit Brussel. Het Museum heeft veel van zijn lopende werkzaamheden kunnen voortzetten en is tijdens de twee wereldoorlogen aan grote schade ontsnapt.

Deze veerkracht is misschien wel de opvallendste rode draad in de geschiedenis van onze organisatie. Onze sterke troeven: onderzoek en beleidsondersteuning, collectiebeheer en betrokkenheid van het publiek maakt van ons Instituut een complexe organisatie. Maar ook de uitdagingen in onze geglobaliseerde samenleving zijn complex en onderling verbonden. Misschien zijn we precies daarom zo goed geplaatst om die uitdagingen te blijven aanpakken.